Duur missie: 29 augustus 1984 – 6 december 1984
Aantal militairen: 91
Dodelijke slachtoffers: geen
Dapperheidsonderscheidingen: geen

In de maanden juli en augustus van 1984 werd de koopvaardij in de Golf van Suez en het zuidelijke gedeelte van de Rode Zee door explosies opgeschrikt. Bijna 20 schepen voeren op zeemijnen en raakten ernstig beschadigd.

Nederlands aandeel mijnenjacht in de Rode Zee en de Golf van Suez

Voor de Koninklijke Marine was de opdracht een uitgelezen mogelijkheid om de nieuwe, van polyester gemaakte mijnenjagers van de Alkmaarklasse te testen.

Voor de operatie in de Rode Zee zouden 2 pas opgeleverde jagers van de Alkmaarklasse worden gebruikt: Hr.Ms. Haarlem en Hr.Ms. Harlingen. Die stonden onder commando van luitenants-ter-zee der 1e klasse L.M. Deij en J.O. Geertsma.

Mijnjachtoperaties

Op 28 augustus 1984 zetten de schepen koers richting Djedda, waar beide jagers op 16 september aankwamen. De Saudische marinebasis King Faisal bij deze stad diende als uitvalsbasis voor de mijnjachtoperaties. Die vonden plaats in de wateren voor de havensteden Yanbu ‘al Bahr, Gizan, Al Wajh en Djedda. Een F-27 maritiem patrouillevliegtuig van 336 Squadron van de Koninklijke Luchtmacht ondersteunde de mijnenjagers hierbij.

Van 24 oktober tot 19 november verrichtten beide marineschepen hierna dezelfde werkzaamheden voor Egypte, ditmaal in de Golf van Suez. In beide operatiegebieden vonden zij geen mijnen.

Zoekactie gestaakt

In december werd de zoekactie gestaakt en gingen de schepen huiswaarts. Na een bevoorrading op Gibraltar meerden de schepen op 6 december 1984 af in het Nieuwe Diep in Den Helder.

Handelsvaart onder druk

De islamitische terreurbeweging Jihad verklaarde zich verantwoordelijk voor het leggen van 190 zeemijnen. Later bleek Libië er achter te zitten. Door de actie kwam de onbelemmerde handelsvaart tussen Europa, Oost-Afrika, het Midden-Oosten en Azië onder druk te staan.

Hulp van mijnenjagers

De Arabische landen rondom de Rode Zee waren zelf niet in staat het probleem op te lossen. Ze vroegen verschillende landen om hulp met mijnbestrijdingseenheden. Onder meer Nederland bood deze aan. De regering van Saudi-Arabië maakte dankbaar gebruik van het aanbod en vroeg om inzet van mijnenjagers in de Rode Zee, nabij de havenstad Djedda.