Duur missie: 30 september 1965 t/m 19 maart 1966
Aantal militairen: 3
Dodelijke slachtoffers: geen
Dapperheidsonderscheidingen: geen
Direct na de Tweede Wereldoorlog bleken de spanningen tussen moslims en hindoes in het koloniale Brits-Indië onoverbrugbaar. Dit had tot gevolg dat er na de soevereiniteitsoverdracht door de Britse regering op 15 augustus 1947 twee erfgenamen waren:
- de moslimstaat Pakistan en
- de hindoe-staat India.
Twee gebieden in het bijzonder, de in het Himalaya-gebergte gelegen vorstendommen Jammu en Kashmir, welke zelf mochten bepalen (conform de Indian Independence Act van 1947) of ze deel gingen uitmaken van India dan wel Pakistan (waarbij beide de kant van India kozen hoewel de meerderheid van beide bevolkingen moslim was (*) ), bleven een bron van vele grensconflicten. Tussen oktober 1947 en januari 1949 vonden in Kashmir gevechten plaats tussen Indiase en Pakistaanse troepen: de eerste Indiaas-Pakistaanse oorlog (Eerste Kasjmiroorlog).
In januari 1948 werd door de VN, op verzoek van India en Pakistan, de United Nations Commission for India and Pakistan (UNCIP) ingesteld als gevolg van het aannemen van resolutie 39 (1948) welke opriep tot een staakt het voeren. Doel van UNCIP was het onderzoeken van het conflict en optreden als mediater tussen de strijdende partijen. In april van het zelfde jaar besloot de VN, op basis van resolutie 47 (1948) tot uitbreiding van UNCIP en het nemen van meerdere maatregelen (zoals het inzetten van waarnemers) om tot het stoppen van de vijandelijkheden aan komen.
Op 27 juli 1949 tekenden de strijdende partijen het Karachi Agreement welke tot een daadwerkelijk stopt-het-vuren leidde. Op dit staakt-het-vuren werd toegezien door militaire waarnemers. Deze waarnemers vormde de kern van UNMOGIP (United Nations Military Observer Group in India and Pakistan) . Op 30 maart 1951, direct na de opheffing van UNCIP, besloot de Veiligheidsraad (d.m.v. resolutie 91 (1951)) dat UNMOGIP zijn observatietaak op het staakt-het-vuren zou vervolgen.
Deze observatietaak bestond uit de volgende subtaken:
- waarnemen en rapporteren,
- onderzoeken van meldingen over schendingen van het staakt-het-vuren
- indienen van de resultaten bij beide strijdende partijen en de Secretaris-Generaal.
Het inzet gebied van UNMOGIP was langs de gehele Indias-Pakistaanse grens m.u.v. de vorstendommen Jamnu en Kashmir.
In het begin van 1965 begonnen de betrekkingen tussen India en Pakistan te verslechteren als gevolg van voortdurende en conflicterende claims over het Rann of Kutch gebied in het zuidelijke gedeelte van de internationale grens. De situatie werd gedurende de zomer van 1965 steeds onhoudbaarder wat in augustus van dat jaar resulteerde in grootschalige vijandelijkheden langs de staakt-het-vuren lijn in Kashmir (Tweede Kashmiroorlog). In een rapport op 3 september 1965 gaf de Secretaris-Generaal aan dat de staak-het-vuren overeenkomst uit 1947 was vervallen en dat een terugkeer van wederzijdse observatie door en bij de strijdende partijen een klimaat zou scheppen om te komen tot een politieke oplossing.
Het VN-mandaat, de taken en de organisatie van UNIPOM
De Veiligheidsraad riep in resolutie 211 van 20 september 1965, nadat de strijd zich had uitgebreid tot het grensgebied tussen India en Pakistan, op tot een nieuw staakt-het-vuren en terugtrekking van alle gewapende tropen tot de posities van voor 5 augustus 1965. India en Pakistan stemden toe in de uitvoering van de resolutie welke op 0700 GMT 22 september inging.
De controle op het staakt-het-vuren in Jammu en Kashmir zelf werd door UNMOGIP uitgevoerd welke hiertoe werd uitgebreid tot 102 man. Echter aangezien de vijandelijkheden zich hadden uitgebreid tot gebieden buiten Jamnu en Kashmir besloot de Secretaris-Generaal tot het toevoegen van een administratieve eenheid aan UNMOGIP, United Nations India-Pakistan Observation Mission (UNIPOM, als een tijdelijke maatregel met als enigst doel het waarnemen van het staakt-het-vuren langs de Indiase en Pakistaanse grens van Kashmir tot aan de Arabische-Zeekust – voorlopig voor drie maanden. Bij schendingen kon UNIPOM niets anders dan het overhalen van de lokale commandanten om zich weer aan het staakt-het-vuren te houden. Het ontbrak UNIPOM aan enig verder mandaat.
UNIPOM kwam onder bevel van de Canadese brigade-generaal B.F. MacDonald, die over hoofdkwartieren in de grensplaatsen Amritsar (India) en Lahore (Pakistan) beschikte en in eerste instantie de beschikking zestien waarnemers uit de UNTSO-missie welke werden aangevuld met waarnemers van UNMOGIP. Deze waarnemers keerden terug naar hun eigen missies toen de speciaal voor UNIPOM aangetrokken waarnemers, negentig in totaal, arriveerden. De waarnemers te velde werden verdeeld in twee groepen, één voor elke kant van de grens. UNIPOM streefde ernaar om waarnemers met dezelfde nationaliteit op tegenover elkaar liggende posten in India en Pakistan te plaatsen. Bovendien werden ze na drie maanden aan de andere zijde van de confrontatielijn geplaatst. Dit soort maatregelen moest helpen voorkomen dat United Nations military observers (UNMO’s) uit een van de deelnemende landen als partijdig te boek kwamen te staan.
India en Pakistan hielden zich in de eerste weken slecht aan de bestandsafspraken. Pas begin november 1965 trad er een wezenlijke verbetering in de situatie op. Tot die tijd konden de waarnemers niets anders doen dan schendingen rapporteren en proberen de lokale commandanten tot naleving van het staakt-het-vuren te bewegen. Op verzoek van India en Pakistan werd UNIPOM in december 1965 met drie maanden verlengd.
De Sovjet-Unie nodigde de beide partijen begin januari 1966 uit naar Tashkent te komen om een oplossing voor het conflict te zoeken. India en Pakistan maakten daar op 10 januari 1966 wereldkundig dat ze bereid waren alle militairen terug te trekken naar de posities die zij voor 5 augustus 1965 hadden ingenomen. Deze terugtrekking moest 25 februari zijn voltooid. UNIPOM zag toe op de uitvoering van de Tashkent overeenkomst.
Beëindiging UNIPOM
Op 26 februari 1966 rapporteerde de Secretars-Generaal dat de terugtrekking van de Indiase en Pakistaanse troepen naar de posities van voor 5 augustus 1965 was voltooid op 25 februari, conform afspraak. Hiermede was voldaan aan de voorwaarden waarmee tevens een einde kwam aan UNIPOM op 22 maart 1966. De 59 waarnemers die nog in september 1965 waren toegevoegd aan de MOG (Military Observation Group) werden eveneens geleidelijk teruggetrokken
Het Nederlandse aandeel in UNIPOM
Tot de groep van zestien waarnemers die UNTSO als overbrugging ter beschikking van UNIPOM stelde, behoorden ook drie Nederlanders: twee majoors van de Koninklijke Landmacht (KL) en één majoor van het Korps Mariniers. Zij arriveerden nadat op 22 september 1965 het staakt-het-vuren was ingegaan dat zij moesten controleren. Medio november 1965 keerden de drie officieren terug naar UNTSO.
Het secretariaat-generaal van de VN verzocht Nederland op 21 september 1965 vijf tot tien militaire waarnemers voor UNIPOM ter beschikking te stellen. De Nederlandse regering bleek bereid tien waarnemers te sturen, van wie er drie, allen mariniers, al op 30 september vertrokken. Vijf landmachtofficieren en twee mariniers zouden begin oktober afreizen. Toen bleek echter dat de VN al voldoende waarnemers hadden voor UNIPOM. Zij verzochten Nederland wel de zeven paraat te houden, vertrokken zijn ze echter nooit.
Dat UNIPOM een inderhaast opgezette operatie was, ondervonden de Nederlandse waarnemers aan den lijve. Toen ze aankwamen, konden ze niet beschikken over radio’s, waren er geen VN-vlaggen en hoofddeksels en werden ze voorzien van afgedankt materieel uit de Kongo. In het begin moesten de waarnemers zich behelpen met geleende groene legerjeeps zonder VN-aanduiding.
UNIPOM, dat haar inzetgebied in zeven sectoren had opgedeeld, bemande veertien field stations langs de confrontatielijn. De precieze locatie van deze posten hing samen met de ontplooiing van Indiase of Pakistaanse militaire eenheden van minimaal compagniesgrootte. Meestal ging het om een bataljon. De behuizing van de posten kon van alles zijn: een koninklijk paleis of een klein hutje van gedroogde modder. De locatie van de post bepaalde in hoge mate de aard van het waarnemerswerk. In het woestijnachtige en dunbevolkte zuidelijke grensgebied (Sindh, Rajastan) lagen de eenheden van beide partijen ver uit elkaar, waardoor de kans op confrontaties klein was. De waarnemers hadden het hier relatief rustig en vulden de tijd vooral met het onderhouden van contacten met de verschillende militaire eenheden. Wel ondervonden ze hinder van mijnen, die mogelijk zelfs de voorgaande nacht waren gelegd, waardoor het zaak was verse sporen te volgen. In de noordelijk gelegen, dichtbevolkte en grondstofrijke Punjab daarentegen lagen de Indiase en Pakistaanse eenheden veel dichter bij elkaar, waardoor het aantal bestandsschendingen navenant groter was. De waarnemers namen hier een minder afwachtende houding aan. Indien ze een bestandsschending constateerden, werd niet gewacht op een melding door een van de partijen, maar namen ze meteen contact op met de Indiase en Pakistaanse commandant(en) ter plaatse en regelden besprekingen tussen beide partijen. Die vonden plaats op zogenoemde, van tevoren vastgestelde, rendez-vous punten in het op vele plaatsen van mijnenvelden vergeven niemandsland. Een preventieve werking ging ook uit van de afspraken die de waarnemers maakten over de uiterste grens tot waar Indiase of Pakistaanse militairen in bepaalde gebieden mochten patrouilleren. De waarnemers brachten soms met gevaar voor eigen leven de grenzen van de patrouillegebieden in kaart. Zo probeerde UNIPOM al bij voorbaat te voorkomen dat Indiase en Pakistaanse eenheden elkaars patrouilles onder vuur namen.
Einde van het conflict
India en Pakistan maakten in Tashkent op 10 januari 1966 wereldkundig dat ze bereid waren alle militairen terug te trekken. UNIPOM zag toe op de uitvoering van de overeenkomst. Zoals overeengekomen werd UNIPOM op 22 maart beëindigd. De 3 Nederlandse waarnemers keerden in maart 1965 terug naar Nederland.
(*) uit Wikipedia (link https://nl.wikipedia.org/wiki/Jammu_en_Kasjmir_(gebied) )
De bevolking van Jammu en Kasjmir bestond hoofdzakelijk uit moslims. Het gebied werd bestuurd door de hindoeïstische maharadja Hari Singh, die zo lang mogelijk onafhankelijk wilde blijven, om een zo goed mogelijk bod van de Indiase regering te krijgen. In 1947 viel Pakistan Jammu en Kasjmir echter binnen met behulp van guerrillastrijders uit islamitische stammen, en Pakistaanse soldaten die als stamleden waren vermomd. De invallers gingen zich te buiten aan verkrachting en plundering van de bevolking van Jammu en Kasjmir. Ze hadden het vooral voorzien op niet-moslims. Deze waren tijdens het Dograrijk van de Sikhs namelijk sterk bevoordeeld boven de moslims (en andere religies), hoewel ze slechts 5% van de bevolking uitmaakten. De maharadja begreep dat zijn droom van een semi-onafhankelijk Jammu en Kasjmir uit was, en vroeg het leger van India om hulp. Tevens tekende hij een verdrag, waarbij hij ermee akkoord ging dat Jammu en Kasjmir een deel van India zou worden.