Duur missie: 27 november 1963 t/m 12 september 1964
Aantal militairen: 10
Dodelijke slachtoffers: geen
Dapperheidsonderscheidingen: geen

Achtergrond

Op 18 september 1962 overleed de Jemenitische Imam Ahmed bin Yahya en werd opgevolgd door zijn zoon Imam Mohammed Al-Badr. Acht dagen later pleegde een kapitein van de koninklijke lijfwacht, Sallal, een staatsgreep en riep de Jeminitische Arabische republiek uit. De nieuwe regering werd direct door de Verenigde Arabische Republiek (VAE) erkend en op 29 september door de Sovjet Unie. De Britten en de Amerikanen, die eveneens interesse hadden in het gebied, volgden de erkenning niet. De uitgebroken burgeroorlog had, direct al vanaf het begin, alle kenmerken in zich om uit te groeien tot een internationaal conflict. Want Saudi-Arabië deelt een uitgebreide grens met Jemen waarvan een groot deel niet vast ligt. De VAE (Egypte) had vanuit het verleden een speciale relatie met Jemen. In maart 1958 was Jemen namelijk toegetreden tot de VAE maar stopte deze associatie al weer in december 1961 vrijwel direct gevolgd door Syrië. Een complicerende factor was ook het feit dat Jemen al langer claimde dat het Aden Protectoraat deel uit maakte van hun grondgebied. Het protectoraat stond onder Britse controle en hierdoor hadden ook de Britten verhoogde interesse in de ontwikkelingen in Jemen.

Na de coup vluchtte de hervormingsgezinde troonopvolger Imam Al-Badr met zijn gevolg vanuit de hoofdstad Sana’a naar het bergachtige noorden van Jemen. Daar bevond zich de harde kern van de koningsgezinde zaiditische (sjiietische) aanhang en met behulp van financiële en materiele buitenlandse steun startte hij daar een hevige guerillaoorlog tegen de republikeinse macht. De republikeinse regering beschuldigde Saudi-Arabië ervan de royalisten te steunen en dreigde om op de burgeroorlog uit te breiden tot op Saudisch grondgebied. De royalisten op hun beurt claimde dat de republikeinen door Egypte werden gesteund welke laatste de calim ontkende. Echter in het begin van october stroomde grote hoeveelheid aan VAE troepen Jemen binnen op verzoek van de republikeinen.

Op 27 november 1962 vroeg de permanente vertegenwoordiging van Jemen de VN, welke nog steeds volledig uit royalisten bestond, om een onderzoek in te stellen naar het feit of de coup nu wel of niet door Egypte was gedirigeerd.

Onder internationale druk kwamen Egypte en Saudi-Arabië in april 1963 nader tot elkaar. Egypte zegde toe zijn expeditieleger terug te trekken, terwijl beide landen afspraken de militaire leveranties stop te zetten.

Het VN-mandaat en de taken van UNYOM

De Veiligheidsraad stemde op 11 juni 1963 via resolutie 179 in met het sturen van VN-waarnemers om de uitvoering van het akkoord tussen Egypte en Saudi-Arabië te controleren. Aan deze United Nations Yemen Observation Mission (UNYOM) werd geen tijdslimiet gesteld. De secretaris-generaal kon zonder toestemming van de Veiligheidsraad de duur van de operatie verlengen. De kosten van UNYOM werden namelijk door Egypte en Saudi-Arabië gedragen. Het voortduren van de operatie was dan ook grotendeels afhankelijk van hun bereidheid de rekening te betalen. Zesmaal bleken de beide landen bereid de operatie met twee maanden te verlengen, tot Saudi-Arabië in augustus 1964 aangaf het geld niet meer te willen opbrengen. Egypte ging akkoord met de beëindiging van de operatie per 4 september 1964.

UNYOM werd op 4 juli 1963 operationeel en had tot taak de naleving van het akkoord tussen Egypte en Saudi-Arabië te observeren en daarover te rapporteren. Dit akkoord zag er op papier beter uit dan in de praktijk. UNYOM had namelijk geen mandaat om een einde aan de burgeroorlog tot stand te brengen. Zonder Egyptische steun was het republikeinse bewind van Sallal niet in staat de royalisten te weerstaan.

Saudi-Arabië op zijn beurt was bang dat Egypte gebieden langs de Jemenitisch-Saudische grens wilde veroveren.

Controle op Egyptische troepenbewegingen was relatief eenvoudig omdat die via de schaarse wegen moesten verlopen. Een groter probleem vormde de controle op het Saudische deel van de overeenkomst. Het grensgebied tussen Jemen en Saudi-Arabië in het noorden was erg bergachtig en bood veel gelegenheid voor wapensmokkel. Hier stelden de VN een gedemilitariseerde zone in van twintig kilometer breed.

Organisatie van UNYOM

Nadat resolutie 179 (1963) was ingegaan werd als commandant van UNYOM benoemd de Zweedse generaal v. Horn en werden er stappen ondernomen om de missie van de juiste mensen en materieel te voorzien. In het begin bestond UNYOM voornamelijk uit zes militaire waarnemers een verkenningseenheid van 114 man en 50  man personeel van een luchtonderdeel. Daar bovenop waren er ook nog 28 man aan internationale staf en een kleine militaire staf toegevoegd aan het hoofdkwartier van UNYOM. De waarnemers kwamen van UNTSO (gepositioneerd in een tweetal observatieposten) tewijl de verkenningseenheid van de United Nations Emergency Force (UNEF) betrokken werden. De UNEF vliegbasis in El Arish verzorgde de luchtsteun d.m.v. een zestal vliegtuigen en een gelijk aantal helicopters.

Deze samenstelling bleef tot november 1963 van kracht. Op dat moment werd er een herijking uitgevoerd. Conclusie uit die herijking was dat en geen behoefte meer was aan een militair steunpunt in de gedemilitariseerde zone. Dit had tot gevolg dat de verkenningseenheid werd teruggetrokken en het aantal waarnemers werd uitgebreid naar 25. Tevens werd het aantal vliegtuigen teruggebracht naar 2 omdat gebleken was dat de vliegtuigen ’s nachts niet konden worden ingezet en de helikopters slecht functioneerden op grote hoogte

Beëindiging van UNYOM

In de laatste rapportage van de Secretaris-Generaal werd bevestigd dat de partijen er onderling niet uit de ontwapeningsafspraken kwamen maar dat ook UNYOM problemen had met het observeren en rapporteren over deze. Geconstateerd werd dat er een substantiële inkrimping had plaats gevonden van de aanwezigheid van de Egyptische strijdkrachten maar dat werd meer veroorzaakt door de versterkte positie van de Jeminitische republikeinse strijdkrachten dan een terugtrekking in de zin van de overeenkomst. Er waren evenzo aanwijzingen dat de royalisten nog steeds militaire leveranties ontvangen vanuit “externe bronnen”. Concluderend dat UNYOM slechts in staat was om de beperkte voortgang tot de implementatie van het accoord waar te nemen besloot de Secretaris-Generaal dat de implementatie van het accoord volledig bij de strijdende partijen behoorde te liggen en daarom per 4 september 1964 de activiteiten van UNYOM staakte.

Kort na de terugtrekking verbeterde de betrekkingen tussen de strijdende partijen en werden de onderlinge problemen opgelost.

Het Nederlandse aandeel in UNYOM

 Het Ministerie van Buitenlandse Zaken liet op 21 november 1963 aan de VN weten dat

Het kampement van Unyom begin 1964 bij de heuvel Uqd.

Nederland bereid was twee majoors van het Korps Mariniers voor de uitbreiding van UNYOM te leveren. De twee Nederlandse officieren arriveerden al op 27 november 1963 in de hoofdstad Sana’a. Zij werden vrijwillig uitgezonden voor een periode van twee maanden. De oorzaak voor de korte duur van de inzetperiode lag in de weigering van de geldschieters van UNYOM – Egypte en Saudi-Arabië – om voor een langere periode fondsen te garanderen. Toen begin januari 1964 bekend werd dat de missie tot 4 april zou worden verlengd, vroegen de VN aan Nederland of de twee majoors langer als UNMO’s konden aanblijven. Aangezien de officieren op vrijwillige basis waren vertrokken, was de keus aan hen. De beide mariniers stemden in, met dien verstande dat een van hen slechts één maand langer diende. Op 20 januari 1964 verzocht de secretaris-generaal Nederland nog een officier te leveren, bij voorkeur een kapitein. Het antwoord was positief. De twee reeds aanwezige officieren konden op 2 februari 1964 hun nieuwe collega begroeten. Op 9 april deden de VN eenzelfde verzoek en ook nu was Nederland bereid een officier ter beschikking te stellen. In de loop van mei kon hij met zijn werkzaamheden beginnen. Al met al vulde Nederland dus vier functies binnen het waarnemerskorps.

De waarnemers meldden zich na aankomst bij het VN-hoofdkwartier in Sana’a en

werden na enkele dagen overgeplaatst naar een buitenpost. Na elke verlofperiode kregen de waarnemers over het algemeen een andere buitenpost toegewezen. De havenplaats Hodeida was een van de bekendere buitenposten. Hier verbleven de waarnemers in een pas geopend hotel. De grootste buitenpost was een aan de voet van de heuvel Uqd gelegen tentenkamp. In dit barre woestijngebied reden de UNMO’s hun dagelijkse patrouilles altijd met minimaal twee jeeps en twee tot vier personen. Andere posten waar Nederlandse waarnemers werden geplaatst, waren Jizãn aan de Rode Zee en Sa’dãh.

De waarnemers hadden tot taak vaste en tijdelijke observatieposten te bemannen en van daaruit de naleving van het Egyptisch-Saudische akkoord te controleren. Zij mochten zich buiten de gedemilitariseerde zone begeven om onderzoek te doen naar eventuele Saudische steun aan de royalisten. Daarnaast hielden de waarnemers toezicht op Egyptische troepenbewegingen en onderhielden ze nauwe contacten met de Egyptische commandanten ter plaatse. Verder gingen de Nederlanders indien nodig mee met luchtverkenningen, voerden ze patrouilles uit op de grond en vervulden ze andere voorkomende werkzaamheden.

Eind augustus stonden in Nederland twee nieuwe officieren klaar om af te reizen naar Jemen toen de UNYOM-operatie werd beëindigd. De laatste Nederlandse UNMO keerde op 12 september 1964 terug. In totaal vertrokken negen officieren der mariniers en één majoor van de Koninklijke Landmacht naar Jemen. Zij dienden minimaal twee en maximaal vijf maanden bij UNYOM.